Omarmen

Een meneer lag met zijn oor op het gras.

In een helder hemd, hij had zijn ogen gesloten.

Hij luisterde naar aardse klanken.

Hij fluisterde, zodat niemand het zal horen.

D a n k j e w e l.

Met zachte hand raakte hij de grond aan.

De aarde omarmend liep hij het park uit,

De huizen met ramen, waar licht brandde, tegemoet.

Hij bleef een moment staan en glimlachte van binnen.

Zelfs de oceaan kent herinnering.

Vlak voor de dagenraad is het het donkerst